Tekstnet 2002
- Nieuwjaarsbijeenkomst
- Klazien Laansma, Corien van Zweden, Frank van der Lecq en Frank Willemsen - Ghostwriting: onzichtbare schrijvers en pseudo-auteurs
- Joep Jaspers - Beoordelen van tekstkwaliteit
- Arjan Berben en Arjan Polderman - Redigeren, een vak apart
- Wilfried Dabekaussen, Malik de Kok, Anja Edwards van Muijen, Rijk Willemse, Rob Punselie, Marleen Kamminga en Maarten Vergouwen - Strategie: doe wat bij je past
- Tekstnetwerken: workshopdag 2002
21022002 - themabijeenkomst Ghostwriting: onzichtbare schrijvers en pseudo-auteurs
Spoken in het Godebaldkwartier op 21 februari. Dat verwacht je niet op een normale donderdag en het was niet om twaalf uur 's nachts. De spoken werden ingeleid door Mirjam van Strij de Regt toen webinnen waren in Hoog Brabant. Het was niet griezelig meer, want Mirjam vertelde ons dat we nu samen met de spoken geheimen gingen bewaren, en dat schept een band.
We waren toch al een beetje ontheemd, want deze keer waren wevoor de bijeenkomst uitgenodigd op een plaats waar je niet gewoon vanbuiten naar binnen gaat maar via een labyrint van winkels binnendoor. De spookschrijvers zijn helemaal geen spoken, maar vriendelijke dames, die lid zijn van tekstnetof NVJ en de heren achter de tafel hebben werk in loondienst bij de overheid. Het enige verschil met andere schrijvers is dat ze hun naam niet altijd onder het werk zetten. Hoe je op de achtergrond moet blijven deden Klazien Laansma, Corien van Zweden, Frank van der Lecq en Frank Willemsen om de beurt uit de doeken.
Klazien Laansma heeft al verschillende producties op haar naam staan. Over vliegende dokters en malafide praktijken in de Europese politiek, maar ook werk voor een ijdele topmanager en een oudedame die, voor ze dood gaat, nog even haar leven aan Klazien toevertrouwt. Het boek over Paul van Buitenen over Europese politiek (of moeten we toch zeggen van Paul van Buitenen) kreeg terecht veel aandacht. Het werd in veel talen vertaald. Dat is nou juist voor de schrijfster het mooie, want de royalties leveren het meeste op. Klazien deed het ook voor de lol en uit idealisme en dat blijkt wel uit het feit dat zij met de notaris een fonds oprichtte voor de klokkenluiders, de mensen die durven roepen dat het maar een rommeltjeis in hun organisatie. De boeken van de ghostwriter zijn doorschijnend als een geest, volgens Klazien, maar wel herkenbaar aan de contourenvan de stijl. Het is leuk om te horen dat de ghostwriter de bijzondere en soms ook gebrekkige schrijfstijl van de oorspronkelijke schrijver hanteert. In de redactie van de uitgever worden die er dan soms gewoon weer uitgehaald. De uitgever vindt het soms helemaal niet leuk dat er een spookschrijver in het spel is. Van Buitenen is er trouwens wel trots op dat hij een ghostwriter had.
De freelancer Corien van Zweden leverde spannende non-fictie met een boek over Fair Trade: Max Havelaar en de Oké bananen. Ze had alles in huis om voor de Franse uitgever aantrekkelijk te zijn: een studie theologie, kennis van economie en Spaans en de tijd om een boek te schrijven. Ze werkte met een professional van een Nederlandse solidariteitsorganisatie en ook met een Nederlandse pastoor in Mexico. Dat leverde een leuke reis op daar naar toe. Ze sprak met de pastoor en met de koffieboeren. Corien merkte bij het werk dat er soms wel een spanningsveld is tussen de spookschrijver en de pseudo-auteur. Ze heef theel wat strijd moeten leveren en soms voelde ze zich echt de secretaresse. 'Ik zou dat boek wel zelf kunnen schrijven als ik wat meer tijd had', zei één van de pseudo-auteurs. Of het hierdoor is gekomen of door de grote afstand met Parijs is niet duidelijk, maar haar naam kwam niet op de titelpagina. Hoe Corien het werk typeerde (you have to hide your personality) komt hierdoor wel erg duidelijk naar voren.
Frank Willemsen schrijft voor minister Hermans. Speeches maakt hij voor hem en over zijn werk zegt hij: 'Als politieke ghostwriter moet je er goed tegen kunnen dat ze met je speech aan de haal gaan.' We hebben in Nederland niet de cultuur van de natuurlijke speech, maar het is wel een verschil tussen het begin en het einde van de loopbaan van een bewindspersoon. In het begin is alles uitgeschreven en aan het einde van de ambtstermijn werkt hij met 'speaking notes'. Frank zegt dat hij in zijn hoofd heeft hoe het klinken moet. Er is nu ook een samenwerkingsverband tussen de verschillende speechschrijvers van de ministeries. Met de speechschrijvers in het buitenland heeft Frank ook kennis kunnen maken. Hij was verbaasd dat de speechschrijver van Tony Blair in z'n eentje moet werken.
Frank van der Lecq werkt bij de gemeente Utrecht. Hij is tekstschrijver, redacteur en dichter. Volgens hem is de overeenkoms ttussen die werksoorten: je begint met een ideetje en je werkt het uit. De toespraken van de burgemeester zijn van hem. Er zijn de ceremoniële en de inhoudelijke toespraken. Voor de eerste is het niet moeilijk om materiaal te verzamelen, want voor wie een lintje krijgt is al heel wat op papier gezet. Voor de inhoudelijke toespraken moeten soms heel lange teksten worden gelezen. Het is wel lastig als de persoon voor wie je schrijft een beperkte voordrachtsvaardigheid heeft. Waar moet ik de nadruk op leggen? Frank's werk ziet er dan ook uit als poëzie: korter egels en veel wit op de bladzijde, grote letters. Frank maakt twee teksten per dag en nu hij het wat minder druk heeft worden de toespraken langer, maar minder lichtvoetig omdat er geen spanning is. 'Hoe meer ik achter de schermen ben, hoe beter.'
Mirjam interviewt de schrijvers tien minuten en de zaal reageert daarna. Klazien, Corien en de Franken gaan nu ook met elkaar in gesprek. Er komen nu aardige beweringen: dat de breedheid van onderwerpen een grote aantrekkelijkheid heeft en dat ze zich soms helemaal niet zien als ghostwriter maar als hulpmiddel. Particulieren als opdrachtgever zijn een ramp, want ze besteden veel aandacht aan de interpunctie. De meerwaarde van de ghostwriter is dat hij of zij een structuur aanbrengt. De werkwijze is heel verschillend. Sommigen willen alleen het blocknote gebruiken, anderen gebruiken de tape. Corien heeft een voorkeur voor de interviewvorm en ook Frank Willemsen gebruikt die techniek, want, zo zegt hij zelf: 'ambtenaren kunnen onmogelijk zo praten zoals ze schrijven.' Klazien wist door de interviewvorm de lastige bureaucratische termen in het boek van Van Buitenen te omzeilen. Voor de eindverantwoordelijkheid heeft Frank Willemsen het voor elkaar gekregen dat hij nu de eindverantwoordelijkheid heeft en niet de beleidsdirectie. Waar ze het ook over eens zijn is het afraden van het gebruik van bijvoorbeeld Powerpoint bij een presentatie met toespraak. Dat leidt de aandacht af. De toespraakschrijvers willen zich niet met de politiek bemoeien, maar soms kan het niet anders. De VVD minister gaat reclame maken voor zijn partij, dat schrijf je dan maar op, en een weg moet worden verbreed en daar werk je dan in tekst aan mee. Als je journalist bent zoals Corien is het wel eens moeilijk niet na te vragen of iets wel klopt voor de inhoud. Zo was er het gerucht dat een bananenboot tot zinken werd gebracht door kabels die door vissersboten onder water waren gespannen. Tenslotte is de ander verantwoordelijk voor de tekst.
Spook zijn is wel aardig, maar je kunt maar zelden een ander spook vinden om ervaringen uit te wisselen. Het is een eenzaam beroep.
Verslag: Nico Lute
17042002 - themabijeenkomst met Joep Jaspers - Beoordelen van tekstkwaliteit
Je merkt meteen of een tekst lekker leest en goed in elkaar zit of niet. Maar wat maakt nu precies een goed verhaal goed en een slecht verhaal slecht? Joep Jaspers gaf vanuit zijn ervaring als onderzoeker aan de Universiteit van Nijmegen en Tilburg en als adviseur bij het communicatieadviesbureau Vergouwen Overduin een antwoord op deze vraag.
Een tekst moet voldoen aan drie basiseisen, namelijk:
1. Onthoudbaar zijn;
2. Aanvaardbaar zijn (niet leiden tot irritaties);
3. Uitvoerbaar zijn (de lezer weet wat hij ermee moet).
Overigens gaat Jaspers verhaal vooral op voor advies- en beleidsteksten. Verschillende tekstsoorten stellen verschillende eisen. Zelfs het uitgangspunt dat een tekst helder moet zijn gaat niet altijd op. Beleidsteksten bijvoorbeeld moeten tot consensus leiden en zijn daardoor vaak minder helder dan de tekstschrijver zou willen.
Slechte tekst
Jaspers laat de aanwezige tekstschrijvers een tekst lezen en er vragen over beantwoorden. Wat zij niet weten is dat het om een tekst in twee verschillende versies gaat. De eerste werd door een opdrachtgever aan Vergouwen Overduin toegestuurd. De tweede is het resultaat van het redigeerwerk door Vergouwen Overduin. Bij de slechte tekst blijken de lezers een aantal eenvoudige vragen niet te kunnen beantwoorden. Bij de herschreven tekst lukt dat wel.
Jaspers laat hiermee twee dingen overtuigend zien:
1. Oorzaak slechte tekst ligt bij schrijver, niet bij lezer.
2. Slechte tekst is irritant en wordt niet onthouden.
Wat is er slecht aan slechte tekst? Hij bevat te veel informatie, de schrijver heeft zich niet ingeleefd in de lezer en de schrijver heeft geen selectie kunnen of durven maken.
Kwaliteitskenmerken
Eén van de belangrijkste kwaliteitskenmerken van een tekst is dat deze antwoord geeft op bij voorkeur één centrale vraag. Die moet je als schrijver kennen en ook van tevoren aan de opdrachtgever voorleggen. (Dit sluit keurig aan bij een van de uitkomsten van het pas door Tekstnet gehouden onderzoek onder opdrachtgevers. Een debriefing, dus een opdrachtbevestiging van de schrijver aan de opdrachtgever, is een belangrijk instrument om misverstanden te voorkomen.)
De centrale vraag en het antwoord daarop vormen samen het geraamte van een verhaal. De rest bestaat uit onderbouwing. Die mag vooral niet meer maar ook niet minder informatie bevatten dan nodig is om het antwoord aanvaardbaar te maken. Behalve de hoeveelheid informatie is ook de manier waarop de argumentatie is neergezet bepalend voor de tekstkwaliteit. Som niet alles op, maar begin met de conclusie. Die dient dan als selectiemiddel voor de lezer (én de schrijver). Neem achtergrondinformatie eventueel in een bijlage op. Visualisering kan nuttig zijn, sommige teksten lenen zich ervoor om (gedeeltelijk) in een stroomdiagram gepresenteerd te worden. Natuurlijk is ook de formulering van invloed op de tekstkwaliteit, waarbij moet zijn nagedacht over onder meer de afstand tot de lezer.
De uitzondering bevestigt ...
Want naast inhoudelijke informatie kan bijvoorbeeld iets als een pluim op de hoed van de organisatie niet strikt noodzakelijk maar wel nuttig zijn. Het zorgt er bijvoorbeeld voor dat zij het advies beter accepteert. Zijn er verschillende lezersgroepen, dan kan het zinvol zijn álle argumenten op te nemen. Per saldo meer informatie dan nodig is, maar bij beleidstekst moeten alle actoren zich in het stuk kunnen herkennen.
Slecht schrijven
Waarom schrijven veel mensen zo slecht? Omdat er drie werelden zijn, zegt Jaspers:
1. Organisatie met zijn problematiek;
2. Onderzoek naar die problematiek;
3. Wereld van de tekst.
In de tekst moet een selectie uit 2 komen. Maar te veel mensen zetten heel 2 erin, omdat ze niet willen of kunnen kiezen. Een externe professional kan dan helpen bij dat kiezen omdat hij beschikt over de zo broodnodige frisse blik.
Mensen schrijven verder slecht, omdat:
- ze onzeker zijn over wat ze willen en over wat de lezer wil;
- ze schrijven zien als een ritueel (het hoort nu eenmaal bij mijn werk);
- hun organisatie niet gericht is op het schrijven van goede teksten;
- ze onvoldoende schrijfvaardigheid hebben.
Jaspers stelling over dit punt, dat hij opzettelijk als laatste noemt: Binnen de juiste structuur kunnen veel mensen een aardige tekst produceren.)
Oorzaken van problemen met opdrachtgevers
Jaspers visie hierop krijgen we er zomaar nog even bij, in een handig rijtje:
- De opdrachtgever wil alles (geen keuzes maken terwijl hij toch voor dilemma's staat).
- De opdrachtgever weet niets over teksten.
- De opdrachtgever kan zichzelf moeilijk in de rol van de lezer verplaatsen.
- De opdrachtgever heeft te hoge verwachtingen.
- De opdrachtgever heeft gelijk.
De juiste vragen vooraf kunnen die problemen in ieder geval voor een deel voorkomen. Voorbeelden van dat soort vragen:
- Wie moeten de tekst in elk geval kunnen onthouden, accepteren en uitvoeren?
- Op welke vraag moet de lezer na het lezen een antwoord hebben?
- Welke onderwerpen moeten in elk geval aan de orde zijn gekomen?
- Wat zou het publiek kunnen irriteren?
- Waarom besteedt u de tekst uit? (Dus: wat zijn uw verwachtingen?)
Verslag: Sasja Nicolaï
03062002 - themabijeenkomst 'Redigeren, een vak apart'
Beperk je je tot punten en komma's? Of jeuken je handen om de hele tekst om te gooien? En zo ja, zou de opdrachtgever daar nu wel zo wel blij mee zijn? Veel redactieleed is te voorkomen, zo leerden TekstNetters op de bijeenkomst van 3 juni. Twee door de wol geverfde eindredacteuren deden een boekje open over valkuilen, heldere afspraken en bewerkingsniveaus. Arjan Berben gaf tips ter voorkoming van bewerkelijke eindredactie; Arjan Polderman liet de aanwezigen zien (én ervaren!) hoe een slechte passage zo efficiënt mogelijk te verbeteren is.
Ook in de redactiewereld geldt het gezegde: voorkomen is beter dan genezen. Arjan Berben van Maters & Hermsen Journalistiek wond er geen doekjes om. 'Redigeren is tijdrovend en het eindresultaat is zelden helemaal bevredigend', zo stelde hij. In de productie-estafette zit het werk van de eindredacteur ingeklemd tussen tekstdeadline en vormgeving. Voor grote ingrepen is vaak eenvoudigweg geen tijd. En dat hoeft ook niet volgens hem.
Briefing en bladformule
Ben je eindredacteur en opdrachtgever? Dan begint het voorkomen van redigeren in de voorbereidingsfase: bij het (selecteren en) briefen van de schrijver. Naast praktische informatie (zoals gegevens over de interview-kandidaten, bronnen, omvang, deadline, aanlevering, facturering) bevat een goede briefing tenminste informatie over de volgende zaken: gekozen invalshoek, doel en doelgroep van het artikel, schrijfstijl en een lijstje niet-te-missen vragen. Daarnaast is het raadzaam om de schrijvers op de hoogte te brengen van de bladformule. Daarin staan zaken omschreven als de missie van de uitgever, doelgroepen en stijl.
Redactionele matrix
In één editie van het personeelsblad driemaal een foto waarop de directeur voorkomt en vier artikelen waarin ze geciteerd wordt. Dat is teveel van het goede! De lezer raakt geïrriteerd en concludeert dat het personeelsblad een spreekbuis van de directie is. Een goed gebruik van de redactionele matrix kan dit voorkomen. Elke rubriek wordt per categorie ingevuld in de matrix: tekstgenre (achtergrondartikel, column, interview), soort onderwerp (methode, management, medewerkers), foto's en ander beeldmateriaal, personen die aan het woord komen. In één oogopslag is te zien waar eventuele doublures of onvolkomenheden zitten, zodat je tijdig kunt bijsturen.
Niveaus van redigeren
Na het presenteren van checklists en tips voor opdrachtgevende eindredacteurs ging Berben in op de taken van de eindredacteur als opdrachtnemer. Die moeten volgens hem vooral goede afspraken maken met hun opdrachtgever. Op welk niveau mag er geredigeerd worden? Betreft het slechts spelling en interpunctie, of zijn er ook ingrijpende wijzigingen toegestaan? Ligt de nadruk op het eindproduct (een goede tekst, geschikt voor de gekozen doelgroep) of op de schrijver, die z'n geredigeerde tekst graag wil terugherkennen? Om zeker te weten dat de opdrachtgever en opdrachtnemer elkaar goed begrijpen, zou de opdrachtnemer eerst een geredigeerde proefpagina kunnen aanleveren.
Minimum aan ingrepen
Voor Arjan Polderman van het Farmaceutisch Weekblad bestaat er geen twijfel over het niveau van redigeren. Hij bewerkt, met een snelheid van zo'n 1500 woorden per uur, teksten van wetenschappers. Dat getal dwong overigens respect af bij de aanwezige Tekstnetters, want het veroorzaakte gemompel en geschuif tot ver in de achterste rijen. Polderman's motto: 'Met een minimum aan ingrepen zoveel mogelijk verbetering tot stand brengen.' Zijn aandacht gaat daarom allereerst uit naar de meest prominente plekken: lead en koppen. Per rubriek is vastgelegd aan welke regels deze moeten voldoen. De selectiefunctie staat daarbij voor hem op nummer één: 'Maak de lezer gelijk duidelijk of dit artikel voor hem of haar van belang is.' De aloude journalistieke regel dat 'worden' een vies woord is, lapt hij daarentegen aan zijn laars. 'Mijn doelgroep is de lijdende vorm gewend. Ze praten zo, ze leven zo.' Tja, waarom zou je het als redacteur per se beter willen weten?
Na deze smakelijke inleiding diende Polderman nog een serie (al dan niet lijdende) zinnen op uit zijn dagelijkse praktijk. Daar zetten de aanwezigen graag en gretig de tanden in. Het werd zowel een pittige als bitterzoete ervaring. Pittig, omdat je soms na drie keer lezen nog niet had geraden wat de schrijver bedoelde. Bitterzoet, omdat je vaak genoegen moest nemen met een niet optimaal resultaat. Een vraag uit de zaal: 'Jeuken je handen niet om al dat potjeslatijn rigoureus weg te redigeren?' En het ontnuchterende antwoord: 'Steeds minder.'
Verslag: Marleen Kamminga
Naar boven
10092002 - themabijeenkomst 'Strategie: doe wat bij je past'
Strategie was het onderwerp van de TekstNetbijeenkomst op 10 september. Een thema dat te maken heeft met je visie, waar wil je met je bedrijf staan over x jaar, je missie, wat wil je in de samenleving betekenen, en je doelstelling, de daaraan gekoppelde resultaten. Onder leiding van dagvoorzitter Derk Eimers van ABCDE bespraken zeven leden hun keuzes: groot worden of klein blijven? Een compleet assortiment aan communicatieve producten te leveren of alleen tekst? En om welke soorten tekst gaat het dan?
Een zonnig terrasje, twaalf jaar geleden. "Heb jij zin om te komen werken bij een communicatiebureau?", vraagt iemand aan Wilfried Dabekaussen, die op dat moment als freelancer werkzaam is voor Van Dale Lexicografie. Sindsdien werkt hij in loondienst bij Tappan, tegenwoordig als directeur. "Alles is ingebed, de acquisitie loopt en de samenwerking met creatieve professionals is uitermate vruchtbaar. Toen ik binnenkwam dacht ik dat ik nooit iets met formulieren te maken zou willen hebben, maar daar ben ik behoorlijk door gefascineerd geraakt. En ik ben tot de ontdekking gekomen dat ik niet mensen moet aansturen, maar processen die zorgen voor creativiteit, kwaliteit en het voortbestaan van Tappan."
"De uitgeverij waar ik werkte verdiende geld met mijn ideeën", noemt Malik de Kok als reden om voor zichzelf te beginnen. Hij deed dat in 1983 onder de naam Thion Communications en werkte sindsdien als redacteur, journalist en tekstschrijver. "Anderen inhuren beviel mij matig door de haperende kwaliteit en omdat ik niet toe kwam aan het werk dat ik aantrekkelijk vind. Bovendien heb ik nu veel vrijheid, zonder omslachtige overlegcircuits en zonder verantwoordelijkheid voor inkomsten van anderen. Als ik geen werk heb ga ik met een boek in de zon zitten of in het bos wandelen. Het zou best leuk zijn om eens een echt grote klus te doen, maar de prijs die daarvoor betaald zou moeten worden is mij te hoog."
Aan de lezer
Vervolgens kwam de vraag aan de orde: lever je alleen tekst of een totaalproduct? Anja Edwards van Muijen (Taal Kwadraat) doet het eerste: "Wat mij boeit is het uitspitten van informatie en het helder presenteren daarvan in een leesbare tekst. Als die af is, laat ik het onderwerp los, het is dan aan de lezer om er iets mee te doen en ook de opdrachtgever krijgt geen advies. De strategie die ik vijf jaar geleden bij de oprichting van mijn bureau formuleerde is dat ik biomedische onderwerpen behandel, onder meer als wetenschapsjournalist. Zo schrijf ik boeken, brochures en artikelen voor opdrachtgevers als Sandoz, NOC*NSF, Plus Magazine, Fiets en medische vakbladen. De onderwerpen lijken soms abstract, maar soms ook heel simpel, zoals: hoe kleuters leven, wat spinnen doen in de tuin en wat er gebeurde met mijn vader tijdens de Birma-spoorweg.
Rijk Willemse, mede-eigenaar van het dertig medewerkers tellende BHM LaVerbe, maakt een vergelijking met atletiek: "Wil je alleen kogelstoten of doe je mee aan de tienkamp? Wij doen het laatste met de disciplines nieuwe media, muziek, grafisch ontwerp, communicatieadvies, tekst, beeld en trainingen. Ik ben begonnen als eenmanszaak. Toen ik freelancers ging inschakelen raakte ik gefascineerd door de effecten daarvan: de kwaliteit werd sterker en ik werkte met meer plezier. Als opdrachtgevers groter worden door te fuseren kun je niet achter blijven, zij willen dat hun leveranciers mee groeien. Ik begeleid vier collega¹s die schrijfklussen doen, als het er meer waren zou ik zelf niet meer aan schrijven en contacten met klanten toe komen."
Gevoel voor richting
"Wat je leuk vindt gaat je gemakkelijk af en je doet het met liefde", ervaart Rob Punselie (Content Kings) die met name actief is op het gebied van internet en multimedia. "Bij een werkgever heb ik gemerkt dat ik ongeschikt ben om voor een baas te werken en ik heb ook geen zin om baas te zijn, dus werk ik zelfstandig. Een strategie op papier zetten is wat mij betreft onnodig, je maakt die keuze vanuit zelfkennis en gevoel voor richting. Behalve van mijn specialisatie ben ik natuurlijk ook op de hoogte van de belendende percelen, zoals conceptontwikkeling en techniek. Als freelancer moet je uitkijken dat je niet gaat krabbelen in de marge, daarom zoek ik samenwerking met bijvoorbeeld Ben Vroom en het Taalcentrum VU."
Marleen Kamminga opereert samen met Valerie Vleesenbeek onder de naam TXT, maar ze hebben ieder een eigen administratie en een eigen vestiging. "Ik wil alle tekstsoorten aankunnen, verandering van spijs doet eten. Dat bedoel ik zowel figuurlijk, omdat je werk niet eentonig wordt, als letterlijk in de zin van brood op de plank. Bovendien krijg je op die manier een brede kijk op het vak, zodat je niet te snel in het spoor van opdrachtgevers wordt meegetrokken. Een strategie bedenk je gaandeweg, maar je moet af en toe wel stil staan bij de vraag hoe je wilt dat klanten jou uitkiezen en omgekeerd. Binnenkort kruip ik samen met Valerie in een hutje op de hei om ons daarop te bezinnen."
Vrijheid
Maarten Vergouwen heeft zeven jaar een eigen bedrijf gehad en werkt nu voor Hendrikx van der Spek. "Na mijn studie aan de Universiteit Wageningen besloot ik dat ik actief wil zijn op het gebied van ruimtelijke ordening, waterbeheer en milieu. Het voordeel van specialisatie is dat je binnen die gebieden niet alleen heel veel kennis opbouwt, maar ook een netwerk. Onlangs heb ik twee opdrachtgevers met elkaar in verbinding gesteld, financieel word ik daar niets wijzer van, maar wel als het gaat om goodwill. Opereren binnen een groter verband heeft veel voordelen. Als ik freelancers hoor over hun behoefte aan vrijheid, dan moet ik denken aan mijn eerste vakantiedag in loondienst. Tegen dat gevoel van vrijheid kan helemaal niets op."
Tijdens de discussie blijkt weer eens hoe belangrijk het is bij het realiseren van je strategie, dat je opdrachtgevers kunt overtuigen. "Vertrouwen winnen, begint met vertrouwen hebben in jezelf en dat uitstralen." Als je alleen op je gevoel een strategie kiest, zorg dan wel dat je voorbereid bent op veranderende marktomstandigheden. Maar maak het ook niet te rationeel. Zo kost lesgeven veel tijd en het verdient slecht, maar het levert ook veel op aan ervaring, contacten en kennis over je vak. Uiteindelijk draait het bij strategie altijd om de vraag: wat wil je en hoe kun je dat realiseren, op kortere of langere termijn. Als je weet wat je fascineert om te doen (een of meer activiteiten) en te bereiken (doelen voor jezelf en anderen), dan kun je duidelijker keuzes maken voor bepaalde opdrachten, opdrachtgevers, kennis, vaardigheden, contacten, apparatuur, inzet, inspiratie, rechtsvorm, opleidingen en wat dies meer zij.
Verslag: Rob Visser
28112002 - Tekstnetwerken 2002
Op 28 november 2002 vond voor de tweede keer Tekstnetwerken plaats. Hieronde vind je evaluaties, verslagen van enkele workshops en foto's.
Verslagen
Een aantal deelnemers aan tekstnetwerken heeft de moeite genomen een verslag te maken van de workshops die ze hebben gevolgd. In alle gevallen zakelijke, objectieve verslagen die ook diegenen die er niet bij waren een goed beeld geven van hetgeen er gegeven werd.
Inhoud:
• Verslag workshop Bladconcepten
• Verslag workshop Copywriting voor gevorderden
• Verslag workshop Interviewtechnieken
• Verslag workshop Schrijven voor het web
• Verslag workshop De tekstschrijver als adviseur
• Verslag workshop Tekst als onderdeel van het communicatietraject
Bladconcepten
De lezing werd verzorgd door Maters & Hermens, makers van zo'n 40 personeelsbladen. Een aantal van onderstaande adviezen en inzichten gaan in op deze bladen, maar zijn uiteraard te vertalen naar andere bladen.
Doelstelling van het blad
(Personeels)blad draagt meetbaar bij aan de doelstelling van de organisatie door kennis, houding en gedrag van de lezer te beïnvloeden.
Meestal bestaat een spanningsveld tussen de organisatiedoelen en het maken van een sprankelend, lekker blaadje.
Drie vragen zijn aan de orde:
1. Wie is de organisatie, wat wil de organisatie bereiken en in welk tempo?
2. Wie is de lezer, wat wil hij lezen en in welk tempo? (denk hierbij ook aan lengte van artikelen)
3. Welke mogelijkheden biedt het medium?
In vier fases naar een strategisch en creatief bladconcept
1. Strategische fase
a analyse van de organisatie, doelgroep en communicatiemiddelen
tip organisatieanalyse: spreek met medewerkers, OR, bestuur (kan telefonisch) of ga thuis langs bij de doelgroep
tip doelgroep: bepaal een ijkpersoon (bijv. methode van Viva: koop nu iets in de stad voor de ijkpersoon, wat denkt zij over dit krantenartikel, wat doet zij met dit voorwerp, wat pakt ze het eerst als ze thuiskomt, wat doet ze zaterdagochtend, etc.)
b keuze voor type medium (passend bij ijkpersoon)
c vaststellen doel medium (SMART)
d vaststellen bladpijlers
Gangbare definities van ‘bladpijler'
- communicatiedoelstellingen van de zender
- verticale balk in matrix
- vormen een bepaald type informatie
- bekende bladpijlers: Management (bijv. Competentiemanagement), Medewerker (bijvoorbeeld ondernemer, of moet specialist worden, of moet open voor mening uitkomen), Methode, Processen (bijv IT-systeem), Klant/Burger (bijv. meer kinderen aanspreken)
Stel per blad ongeveer 6 bladpijlers vast, bijvoorbeeld: Medewerkers moeten klantvriendelijker worden, Verbetertrajecten
Koppel dan aan elke bladpijler een percentage, bijvoorbeeld: in elk blad moet ongeveer 20% beschikbaar zijn voor klantvriendelijkheid.
2. Creatieve fase
a vaststellen invalshoeken, genres, matrix
b vaststellen bladritme, het blad moet al doorbladerend verrassen én logisch zijn. Denk ook aan van achter naar voren bladeren.
c vaststellen uitgangspunten voor tekst, beeld, vorm, drukwerk
d opstellen storyboard
Genres
Gangbare definities van ‘genre'
- een soort artikel
- stijl van schrijven
- vorm waarin je een artikel giet
- horizontale balk in matrix
Een paar voorbeelden:
Opinie: essay, column, commentaar, opiniërend artikel, recensie, brieven
Verslagen: sfeerreportage, participerende reportage, new journalism, reconstructie
Fictie: gedicht, kort verslag, ..
Achtergrond: lijstjes, abc van, ...
Divers: test, quiz, dagboek
(je kan er de journalistiek-literatuur op naslaan om het compleet te maken)
Waarom genres?
- afwisseling in het blad (voorbeeld Revu, blijft ook wisselen)
- idee achter een verhaal: keuze voor vorm wordt bepaald door doel van artikel
- herkenbaarheid (bijvoorbeeld VN, M, Playboy)
- minder censuur tijdens correctierondes (bijvoorbeeld door geïnterviewden)
- rubrieken worden goed gelezen, overweging bij belangrijke informatie
- leuk om te doen!
- eis: hou je aan het gekozen genre
Rubrieken
Over rubrieken:
- vaste plek, geven blad structuur en herkenbaarheid
- compacte smaakmakers
- ‘garanderen' bladpijlers
- niet makkelijk, vereist fijne pen! (géén makkelijk ‘invuloefening' dus)
- wees creatief!
- stop rubrieken op tijd, ontwijk taanmoment
- jat en vertaal vrijelijk uit publieksbladen!
Matrix
onderwerp invalshoek beeld genres
Bladpijler 1 a
b
c
Bladpijler 2 d
e
Voordelen matrix:
- garandeert afwisseling naar vorm (genre/rubrieken) en inhoud (type info)
- je kunt zien of bladpijlers of onderwerp over- of onderbelicht is.
Algemene tips van matrix naar bladindeling (wat komt waar?):
- een blad biedt bladritme, afwisseling naar
vorm (kort, service, essays, rubrieken) en
inhoud (zwaar, luchtig, nieuwswaarde, pijlers)
- voorkom het afhaakmoment: elke pagina moet de moeite waard zijn
- doelgroep bespelen (fingerspitzengefuhl)
- bedenk in het concept een stramien of storyboard: elk type artikel (genres en rubrieken) heeft een vaste plek
3. Organisatiefase
- vaststellen redactionele organisatie. Denk ook aan coaching of workshop om kennis of stijl van het blad over te dragen aan ‘interne schrijvers'
- vaststellen productieorganisatie
- vaststellen begroting
- vaststellen planning
4. Implementatiefase
- presentatie bladconcept
- implementatie bladconcept
- onderzoek naar het effect
Onderzoeken / meten = weten
- doe een 0-meting in de analysefase: wat vinden zo'n 60 personen van het 0-nummer
(kan ook wat minder omvangrijk)
- onderzoek na ongeveer een jaar welke veranderingen er zijn
- functioneel lezersonderzoek
Denk aan vragen die horen bij SMART-doelen (dus geen waarderingsvragen):
heb je wel eens een collega gebeld n.a.v. artikel?
heb je de info uit het blad wel eens gebruikt in een vergadering?
ben je wel eens argumenten tegengekomen waarmee je het totaal oneens bent?
Ook mogelijk: lezerspanel
- vergelijk de veranderingen bij de doelgroep met de doelstelling van het blad
- stuur de opzet of inhoud van het blad eventueel bij of pas de doelstelling aan
De ‘goeroes'
uit de VS: Ann Wylie (www.wyliecom.com) Zij gaat met name in op winst maken en strategische organisatiedoelen bereiken
uit NL; Rob van Vuuren, de arrogantie van de onderbuik (boek is niet meer verkrijgbaar, maar wellicht ergens te leen / te kopiëren)
Workshop: Copywriting voor gevorderden - Angelique van der Horst
"Bij leuke ideeën en teksten wordt me vaak gevraagd: ‘hoe kóm je erop?! Je bent vast heel creatief!' Volgens mij gaat het niet om creatief zijn, maar om re-creatie. Je hebt de bouwstenen: die krijg je van de klant. En daar voeg je zout en peper aan toe."
Het creatieve proces
1. Briefing
2. Conceptontwikkeling
3. Reviewen
4. Presentatie
5. Executie
1. Briefing
Wat moet er in staan? Wij geloven en beloven:
- Opdracht
- Propositie (één kernbelofte aan je doelgroep)
- Bewijsvoering
- Doelgroep
- Doelstelling (gewenste kennis, houding, gedrag doelgroep)
- Toon en stijl
- Soms ook: probleem (bv. concurrentie, markt)
- Budget
- Media
- Marketing(doelstelling)
- Planning
Valkuilen: vaagheid, teveel boodschappen, productgericht i.p.v. klantgericht, onvoldoende bewijsvoering.
Voorbeelden
Propositie: ‘Van CocaCola krijg je een opkikker.'
Bewijsvoering: hoeveelheid cafeïne in een glas.
Marketingdoelstelling: Binnen [...] 10.000 flessen meer verkopen.
Toon en stijl: vaak beschreven als afgeleide van missie.
Concurrentie: vaak van jou verwacht om die in kaart te brengen.
Foute voorbeelden
Advertentie Ford: ‘Een nieuwe kijk op het leven'
Je ziet een man die op de motorkap van zijn Ford zit en in de verte staart...
- Voorbeeld van praatje bij plaatje (vertellen wat je ziet); niet sterk
- Blijkbaar niks onderscheidends te vertellen over Ford; geen duidelijke propositie
Advertentie Kamerbreed Tapijt: A4-pagina helemaal vol prijzen en kreten en afbeeldingen...
- Teveel informatie in één advertentie
- Op korte termijn misschien effect (bv. 50% korting zal altijd wel aanspreken), maar op lange termijn wordt zo niet gebouwd aan een merk.
2. Conceptontwikkeling
Reclame is geen kunst. Je hebt altijd te maken met strakke regels.
Extreem voorbeeld hiervan is Procter & Gamble.
Haal inspiratie van binnen (uit jezelf) én van buiten (zoveel mogelijk informatie verzamelen). Bijvoorbeeld door te proeven, met je buurman te praten, erover te lezen enzovoort.
Stap van ‘wat' naar ‘hoe':
De propositie is wat je vertelt, maar hoe ga je dat doen?
Bijvoorbeeld: ‘Wij zijn een jonge, dynamische club.'
Hoe ga je dat tonen?
- Niet te letterlijk (door het letterlijk te zeggen)
- Bewijzen aanvoeren
- Uitstralen
3. Reviewen
Reviewen staat voor: intern overleggen en afstemmen, voorafgaand aan een presentatie.
Vaak ga je verschillende concepten presenteren. Maar in ieder geval degene die je zelf het sterkst vindt. Om keuzes te maken: stel jezelf de volgende vragen:
- Wat zou de doelgroep ervan vinden? Is het onderscheidend, geloofwaardig, relevant, duidelijk?
- Wat vertellen we eigenlijk? Wat je zegt is niet altijd de conclusie.
Wil je duidelijk zijn of een warm gevoel geven?
- Past het bij het merk?
- Heeft het merk daar wat aan?
- Is het leuk?
- Heeft het ‘uithoudingsvermogen' of is het een eenmalige vondst?
4. Presentatie
Een goed idee verkoopt zichzelf. Maar er zijn wel wat hulpmiddelen.
Presenteer altijd meerdere oplossingen.
Neem de klant mee in het creatieve proces.
Presenteer het beste het laatst.
Voorbeeld
Als je 3 concepten overhoudt om te gaan presenteren:
- Toon eerst je tweede keuze
- Toon dan je derde keuze
- Toon dan... tadaaaa: je eerste keuze
Toelichting: je neemt de opdrachtgever mee in het ontwikkelingsproces door verschillende concepten te laten zien en toe te lichten. Zo creëer je betrokkenheid en begrip. Dit pak je handig aan, in stappen:
- Je begint natuurlijk niet met wat je zelf het zwakst vindt; toon eerst je tweede keuze, een mooie binnenkomer. Vertel hoe je tot het concept bent gekomen en wat sterke en minder sterke kanten zijn.
- Laat vervolgens je derde keuze zien en geef aan hoe je hiertoe kwam, maar waarom je dit concept minder goed vindt.
- Nu het hele creatieve proces voorbij is gekomen en alle sterke en zwakkere punten gezamenlijk besproken zijn, kom je met hét voorstel dat alles van de tafel veegt.
5. Executie
Executie staat voor: het gekozen concept uitwerken.
Concessies doen? Niet zomaar
Doe alleen concessies als die het idee niet aantasten. Anders: opnieuw beginnen.
Geef dit ook aan als een klant ineens met een totaal nieuwe visie komt, of bij de presentatie opmerkingen op het concept heeft waarover in de briefing niet gesproken is. Oké, dan moet je dus opnieuw beginnen (nieuwe briefing e.d.)!
Vaak schrikt dit meteen af, en geeft jouw verhaal extra kracht als het idee verder gewoon goed is.
Uitwerking tekst
- Gebruik ideeën of regels die je al bedacht hebt
- Cut the crap- Yelling isn't selling
Workshop Interviewtechniek door Aafke Steenhuis
Inzichten
• Non-verbale communicatie beslaat 85% van de totale communicatie; taal is maar 15%. De kunst van het interviewen is om van die 85% zo veel mogelijk in het talige gebied te trekken, met niet-bedreigende vragen. "O, je hebt wel eens een dipje. Hoezo?"
• Zorg voor beeldende, concrete, geurende, kleurige informatie. Zintuiglijke indrukken, beelden, voorbeelden, hoe zou je het aan je oma uitleggen. "Wat voelde je daarbij? Wat vind je ervan? Was je teleurgesteld? Wat zie je uit je raam? Wat voor boek ligt er op je nachtkastje? Een ondernemer interviewen op de achterbank van zijn auto. "Wat zit er in je tas? Wat ga je vandaag doen?"
• Je eigen lichaamstaal en vraagstelling zetten de geïnterviewde op een taalspoor. Jouw verantwoordelijkheid voor een groot deel. Vraag je: "Kun je aangeven wat je activiteiten zijn op het gebied van...?" dan krijg je antwoorden als: "Er dient zich een situatie aan waarin ik de mogelijkheid heb om..." Stel concrete, prikkelende vragen.
• Als mensen lekker aan het vertellen zijn, onderbreek ze dan niet of heel voorzichtig. Ook al dwalen ze misschien wat af. Bij bruuske correctie loop je het risico dat ze daarna niets meer vertellen.
• Wat drijft mensen? Daar gaat elk interview over.
• Spreker benadrukt interessante aspecten die hem of haar aan het hart gaan vaak met stemverheffing of intonatie. Wees daar alert op en vraag door op die informatie.
• Als iemand in de veilige, afstandelijke je-vorm over zichzelf praat ("Je probeert wel vrolijk te zijn, maar je bent natuurlijk ook wel eens ongelukkig."), stel je een vraag die de persoon dwingt naar de ik-vorm over te schakelen. "Dus jij bent wel eens ongelukkig?"
• Stilte laten vallen is helemaal niet erg. Als je het zelf tenminste niet erg vindt. Reageer je paniekerig, dan voelt de geïnterviewde zich ongemakkelijk. Het is heel normaal om even na te denken over je volgende vraag. Eventueel kan een schrijfblok (denk)pauzes natuurlijker, gelegitimeerder maken.
Boeken
Het journalistieke verhaal (Wolters Noordhoff)
Goed handboek, goed hoofdstuk over interviewen.
Tot op het bot - Frénk van der Linden
De interviewer - Ischa Meijer
Interviewbundels.
Verslag: Aartjan van Erkel
Schrijven voor het web door Henri Raven
Dit vindt Hendrikx Van der Spek ervan:
• De adviezen voor ‘teksten op papier' gelden als eisen voor webteksten. Dus: altijd actieve stijl. Nooit: tangconstructies, lijdende vormen en naamwoordstijl. Enzovoort.
• Een tekstblok / alinea is ongeveer 5-7 regels.
• Zet op elk niveau ‘echte informatie'. Niemand zit te wachten op bijvoorbeeld introfilmpjes voordat de homepage pas verschijnt.
• Al op de homepage moet de bezoeker weten wat hij verderop de site kan vinden.
• Als je iets kunt opsommen, doe het dan ook.
• Bovenaan elke pagina moet de bezoeker weten wat hij verderop kan vinden door ‘interne links'. Deze komen terug als kop boven ieder tekstblok. Koppen (en dus ook de interne links) zijn kort, bondig en ladingdekkend.
• Elke pagina heeft een titel en elk tekstblok heeft een kop.
• Onder de titel van de pagina komt een ‘lead' of inleiding: deze beantwoordt 3 tot 4 van de w's (wie, wat, waar, waarom, hoe)
Zet ‘bovenin' teksten de belangrijkste informatie, ‘onderin' details.
• Vaste structuren voor internet- en intranetpagina's, en e-mails (geïnspireerd op Jansen en Steehouder, Leren Communiceren):
Probleemstructuur Maatregelstructuur
-Wat is het probleem precies? -Wat is de maatregel precies?
-Wat is ertegen te doen? -Wat zijn de effecten?
-Waarom is het een probleem? -Waarom is de maatregel nodig?
-Wat zijn de oorzaken? -Hoe wordt de maatregel uitgevoerd?
Evaluatiestructuur Handelingsstructuur
-Hoe luidt het totaaloordeel? -Wat is het doel van de handeling?
-Wat kan/moet er dus gedaan worden? -Hoe verloopt de hand. in grote lijnen?
-Op welke punten is er geëvalueerd? -Hoe worden deelhand. uitgevoerd?
-Wat zijn de positieve aspecten? -Hoe wordt het verloop van de handel.
-Wat zijn de negatieve aspecten? gecontroleerd?
Zie ook:
Schrijven voor het beeldscherm - Willem Hendrikx
www.contentcrew.nl
Verslag: Alaude Jaasma
Workshop Tekst als onderdeel van het communicatietraject door Oege Hiddema
Tien punten plan voor ieder project:
1. Analyse en probleemstelling
2. Doelgroepen bepalen
3. Doelstelling formuleren
4. Strategie uiteenzetten
5. Boodschappen vaststellen
6. Communicatiemiddelen kiezen
7. Budgetteren
8. Plannen
9. Organiseren
10. Evalueren
De tekstschrijver stapt vaak pas in na fase 6: de middelen zijn gekozen, de schrijver wordt gevraagd ze uit te werken. Het is de kunst om, ook al zit je aan het einde van het traject, het spel goed mee te spelen.
Klopt de probleemstelling? Zijn doelgroepen en doelstelling echt duidelijk?
Is eigenlijk wel voor de juiste middelen gekozen? Bepaal per situatie of je hierover nog kunt en wilt adviseren, voor je daadwerkelijk gaat schrijven.
Compact plan voor deze workshop
1. Het waarom (analyse en probleemstelling)
2. Waar wil je naartoe? (doelgroepen, doelstelling, gewenst effect)
3. Hoe pak je dat aan? (strategie, boodschappen, middelen, kosten, planning, evaluatie)
De belangrijkste punten hieruit zijn tijdens de workshop besproken en worden hieronder toegelicht.
1. Het waarom
Analyse
Maak een analyse van: Zender - Boodschap - Medium - Ontvanger
Ofwel: welke zender stuurt welke boodschap via welk middel aan welke ontvanger?
Belangrijk hierbij is een ‘helicopterview'. Plaats jezelf niet tussen zender en ontvanger in, of tussen boodschap en medium, maar plaats jezelf boven het geheel. Dan pas zie je waar het probleem precies zit. Juiste afzender? Juiste boodschap? Juiste medium? Juiste ontvangers?
- Jouw toegevoegde waarde is: overzicht hebben en het échte probleem boven water krijgen > adviserend tekstschrijver.
- Als het om een communicatieprobleem gaat, kun je het gaan oplossen > tekstschrijver.
Probleemstelling
Typen problemen
In eerste instantie is het de vraag, óf er wel sprake is van een communicatieprobleem. Mogelijke problemen zijn:
- een organisatieprobleem
- een maatschappelijk probleem
- een communicatieprobleem
Alleen in het derde geval zul je echt profijt hebben van een communicatieve oplossing. In de eerste twee gevallen zal het probleem anders moeten worden aangepakt.
Voorbeeld
De directie van Reinigingsdienst Utrecht komt naar je toe met de vraag om een folder. De straten zijn namelijk te vuil.
Probeer boven water te krijgen wat precies het probleem is:
- Misschien trekt de Reinigingsdienst te weinig geld uit voor voldoende medewerkers en zijn de straten daardoor niet schoon genoeg > organisatieprobleem. Folder is niet de oplossing.
- Misschien vervuilen burgers de straten meer dan voorheen > maatschappelijk probleem. Folder is niet de oplossing.
- Misschien hebben de eigen medewerkers niet de juiste instructies gekregen > communicatieprobleem. Er is informatie nodig, bijvoorbeeld in de vorm van een folder.
Typen communicatieproblemen
Als er daadwerkelijk sprake is van een communicatieprobleem, zijn er drie typen communicatieproblemen mogelijk:
- een kennisprobleem
- een houdingsprobleem (attitude)
- een gedragsprobleem
Probeer het communicatieprobleem objectief vast te stellen, niet teveel op gevoel. Er kan sprake zijn van meerdere communicatieproblemen tegelijk.
In de aanpak is er geen vaste volgorde. Dus niet altijd eerst kennis aanpakken en dan volgen houding en gedrag; het kan ook zo zijn dat er eerst iets aan een houding moet worden gedaan, wil iemand bijvoorbeeld iets lezen/informatie tot zich nemen.
Voorbeeld: minicase Maastricht
Maastricht heeft nu 25 jaar een universiteit. Veel Maastrichtenaren hebben een afwijzende houding tegenover de studenten. De studenten worden beschouwd als indringers. In winkels en cafés worden ze vaak met het plaatselijke dialect aangesproken of zelfs genegeerd. De studenten vormen 10% van de bevolking. De gemeente is er veel aan gelegen om de verstandhouding tussen de oorspronkelijke Maastrichtenaren en de studenten te verbeteren.
Wat is precies het probleem?
- De oorspronkelijke bewoners weten te weinig over de studenten, en de waarde van de universiteit voor de stad Maastricht > kennisprobleem
- Negatieve houding van oorspronkelijke bewoners t.o.v. studenten, en waarschijnlijk ook wisselwerking (andersom); geen goede beeldvorming over elkaar, geen begrip > houdings-/imagoprobleem
- Oorspronkelijke bewoners praten alleen in dialect en negeren de studenten in winkels en horeca > gedragsprobleem
Door dit kennis-, houdings- en gedragsprobleem zal Maastricht niet populair blijven als studentenstad, terwijl de universiteit van grote waarde is voor de stad, ook economisch gezien.
2. Waar wil je naartoe?
Doelgroepen
Als je een goede analyse maakt van de probleemstelling, heb je meteen de doelgroepen te pakken. Wie zijn bijvoorbeeld de betrokkenen in minicase Maastricht?
- de oorspronkelijke bewoners
- de studenten
- ondernemers/horeca
- de universiteit zelf
Doelstelling
Voor een goede formulering van de doelstelling:
- Spiegel het communicatieprobleem
(kennisprobleem > kennis aanbieden)
- Geef per doelgroep één of meer doelstellingen (kennis/houding/gedrag)
- Maak je doelstelling meetbaar
Meetbaar maken van je doelstelling:
- [...] % of aantal
- van doelgroep [...]
- binnen [...] dagen/weken/maanden
- kennis vermeerderen > wat ze moeten weten: [...]
houding veranderen > wat ze moeten vinden: [...]
gedrag veranderen > wat ze moeten doen: [...]
Eventueel is een doelstelling op te splitsen in doelstelling voor eerste jaar, doelstelling voor tweede jaar (als er al meer bekend is) enzovoort.
Voorbeelden
Binnen een half jaar gebruiken 300.000 studenten de IBG-website om hun gegevens in te kijken.
In minicase Maastricht: Binnen een jaar is 40% van de middenstand ervan overtuigd dat de studentenstad Maastricht belangrijk is voor de economie.
3. Hoe pak je dat aan?
Strategie
Nu duidelijk is wat het probleem is en waar je naartoe wilt, ga je nadenken over de aanpak. Valkuil: te snel de middelen in duiken.
Bepaal eerst de strategie. Stel jezelf de volgende vragen:
- Lange of korte termijn?
- Big bang of gedoseerd?
- In één keer of gefaseerd?
- Massamediaal (bv. advertentie of spotje) of DM?
- Persoonlijk of schriftelijk?
- Via intermediairs (bv. decanen, huisartsen) of direct?
- Lokaal of internationaal?
- Centraal of decentraal?
Dit is belangrijk voor hoe je je middelen inzet, kiest en inricht. En dán...kun je echt gaan schrijven.
Verslag workshop De tekstschrijver als adviseur
Inzichten
• Verschillende rollen:
• Expert: op basis van mijn kennis en ervaring als tekstschrijver weet ik wat mijn opdrachtgever nodig heeft.
• Coach: vaak weten mijn opdrachtgevers zelf goed wat ze willen; zij hebben mij nodig om hun ideeën te toetsen, verhelderen, verder te verkennen.
• Uitvoerende: mijn opdrachtgevers hebben vooral iemand nodig die een goede tekst voor hen redigeert of schrijft, en dat doe ik graag.
• Wees je bewust van je rolopvatting. Wat is je voorkeursrol? Wat is je reflexreactie? Wat wil ik eigenlijk? Waar sta ik voor, waar moet je mij voor hebben?
• Wil of kun je je rol variëren per project of opdrachtgever? Wat matcht goed met je opdrachtgever? Neem je dus bepaalde klussen niet aan?
• E = K x A
Effect = Kwaliteit x Acceptatie
Hieraan zijn de bovenstaande rolopvattingen te koppelen. Vind je kwaliteit belangrijker of acceptatie? (Acceptatie: van lezer en van opdrachtgever.)
• Vraag aan je opdrachtgever bij de start van een project: wat verwachten jullie eigenlijk van me? Ook jouw verwachtingen uitspreken.
• Vervul je verschillende rollen, benoem die dan expliciet. Er hangen misschien verschillende prijskaartjes aan, noem die. Geef je aan het begin een aantal adviezen zonder die in rekening te brengen, geef dan aan dat dat niet standaard en de volgende keer niet gratis is.
Verslag: Aartjan van Erkel
